kapot windlicht op graf

Dwalen
Omdat het vanmorgen zulk mooi licht is, en de herfst volop de bomen kleurt, trek ik erop uit met mijn fotocamera. Zonder doel dwaal ik wat rond in mijn buurtje, en bij toeval kom ik langs het kerkhof bij ons achter. Kerkhoven fascineren me altijd. Wanneer ik op vakantie langs een kerkhof kom, wil ik ook altijd even een kijkje nemen. Je kunt veel leren over een gemeenschap door hun graven te bekijken. En er hangt altijd een bijzondere, serene rust. Mijn moeder mocht ook altijd graag een wandelingetje maken over het kerkhof in Goes. “Dat is altijd zo lekker rustig daar”, zei ze en m’n zussen en ik giechelden er maar een beetje om. Gekke mama, een beetje over een kerkhof wandelen. En nu doe ik het zelf.

Kerkhof
Via de smalle paadjes wandel ik langs de graven. Graven die heel sober en strak zijn, maar ook meer uitbundiger graven met veel kleine snuisterijen. Mooie, verse bloemen hier, daar een sneu, verwelkt en onbestemd bosje iets. Ik lees de namen, bekijk de foto’s, reken de leeftijd uit van degenen die er zijn begraven. Ik zie een groot, rood marmeren ornament. Of nee, het lijkt bijna een mausoleum, met pilaren en alles. De grafsteen laat een tekening zien van een woonwagen die een weg vanuit de bergen heeft afgelegd. Verderop kom ik diezelfde tekening nog een paar keer tegen. Nette en goed verzorgd, allemaal. Er zijn ook verwaarloosde graven; die stemmen me toch een beetje treurig. Niemand die zich nog om de toestand van het graf bekommert. Een kapot windlicht. Een overwoekerde steen. Hier en daar zelfs een gebroken grafsteen. Gelukkig zijn heel veel graven wel in een goede staat.

Allerheiligen
Ik ben zelf niet echt opgevoed met de rituelen en gebruiken rondom grafonderhoud. Maar de toewijding waarmee sommige graven zijn onderhouden, ontroert me. Een simpel rekensommetje op basis
van de datum op de steen leert me dat het graf voor me met veel liefde al tientallen jaren verzorgd wordt.
Met en met komen er meer mensen op het kerkhof, met bloemen en planten. Allerheiligen vandaag, en morgen Allerzielen. Dat verklaart ook het bloemenstalletje bij de ingang.
Een man tuft met z’n snorfiets over het grote middenpad het kerkhof op, plant op de schoot, vrouw achterop. Een bijzonder beeld, zo’n snorfiets op het kerkhof. Ik kijk nog wat rond en bekijk de mensen die er zijn. De oudere man met het grijze jack, kijkt een beetje vertwijfeld om zich heen, alsof hij niet meer precies weet waar het te bezoeken graf is. De kleine vrouw met de fiets aan de hand die meerdere graven aan doet, plantjes verzorgt, wat harkt en plukt en hardop tegen de steen praat. Een andere vrouw fietst resoluut naar een graf, stapt af, plukt iets uit de heide die bij het graf staat, gaat rechtstaan, hoofd gebogen. Ze typt een berichtje op haar telefoon en fiets weer weg. Ook ik loop naar m’n fiets, denkend aan mijn moeder die zo graag over het kerkhof wandelde. En ik begrijp haar heel goed. Een kerkhof is een bijzondere, troostrijke blauwdruk van een gemeenschap. En het laat je ook nog eens laat voelen dat je leeft.

Morgenavond is het lichtjesavond. Ga ik gewoon nog een keer.

Het gekke is dat het soms een dag, soms langer, duurt voor ik me realiseer wat er aan de hand is.
Ik ben moe, sombertjes, prikkelbaar, ik ervaar een waas de wereld een beetje grijzer kleurt. En nee, sorry, ik kan het niet altijd op de hormonale huishouding steken. Het is alsof er een mist in mij hangt. Ik kan lachen om grapjes, genieten van de onbevangenheid van de kinderen, verliefd zijn op mijn lief, maar toch. Er is een waas, het voelt alsof mijn gemoed dichtgestopt is met watten.
En dan realiseer ik me weer wat het is.

Mismistig.

De mist van het missen. Het missen van mijn ouders en schoonvader en het besef dat ze er echt, echt, echt niet meer zijn. Sommige dagen van het jaar  – verjaar-, feest-, moeder- en vaderdagen –  is het gemis duidelijker aanwezig, duidelijker voelbaar. Op die dagen is er pijn en verdriet, maar zijn er ook levendige herinneringen. Maar op deze dagen komt het gevoel dicht in de buurt van die eerste dagen rouw. Een alles overweldigend verdriet dat je functioneren verstoort. De andere dagen van het jaar is het gemis even groot. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan ze denk. Maar dit gemis verwatert niet de vrolijke kleur van het dagelijks leven.

En dan ineens, zonder aanwijsbare reden, komt de mismist opzetten en bedekt hij mijn leven voor een aantal dagen. Het lijkt bijna iets dat zich vastzet in m’n lijf.
De mismist verdooft, maar niet zoveel dat het direct opvalt.
De mismist versombert, maar niet tot een ondraaglijke depressie.
De mismist verkleurt het leven een beetje grijzer, maakt het lijf wat vermoeider, het gemoed wat zwaarder, zonder zich duidelijk als mismist kenbaar te maken. Ieder keer weer heb ik even nodig om de mist te herkennen als een manifestatie van rouw; iedere keer is de mist listig en verraderlijk en zorgt hij ervoor dat ik me afvraag of ik ziek word, of ik eerder naar bed moet, of ik misschien toch weer in de maandelijkse tijd verkeer. Totdat ik het me ineens realiseer. Het is de mistmist.

Geen idee wat die mismist doet ontstaan. De vallende bladeren? Ik heb het ook wel eens in de lente. Een herinnering, een foto, een geur, een liedje? Kan allemaal
Ik hoef de oorzaak ook niet te weten, het is zo. En het is oké.
Nu ik het weer weet, spreek ik met mezelf af dat ik een beetje lief ben voor mezelf. Ik steek een kaars aan bij hun foto. Ik schenk een kopje thee in en ik kruip op de bank met een dekentje.  En ik denk aan hoe en hoeveel ik ze mis, maar hoe dat gemis me ook nog meer mens maakt.
Ik zie het herfstzonnetje en weet dat deze mismist mag zijn, en ook weer wegtrekt.