ik roer in de soep
smeer een boterham
roer luidruchtig in mijn koffie en hoor
je bent er bij

ik knip met mijn vingers de kruimels eraf
ruim bord af naar het aanrecht
zonder kruisen van messen en voel
je bent er bij

ik snuif buiten vers gemaaid groen
houd mijn kraag met een hand dicht
de vogels jagen de wolken weg en ik weet
je bent er bij

de avond ligt op mijn schouders
met het smeren van pasta op de borstel
kijk ik mezelf diep in de ogen aan
jij bent nu mij

 

Dit gedicht is geschreven ter gelegenheid van de tweede Troostdag die zondag 5 februari 2017 plaats vond in ’t Westlicht in Goes, georganiseerd door Monique Dommanschet Uitvaartbezieling.

Het moment dat mijn vader stierf, was intens verdrietig, maar ook een van de meest bijzondere dingen die ik tot dan toe had meegemaakt. Het was me gegund om mijn vader, samen met mijn twee zussen, tot het allerlaatste moment te begeleiden. En daar ben ik nog steeds heel dankbaar voor. Niet iedereen is in de gelegenheid om op dat laatste moment bij zijn of haar dierbare te zijn.

Hij was bij mijn geboorte, ik bij zijn sterven. De cirkel was rond. Maar wat deed het pijn. Het verdriet was zo enorm, dat het zich niet alleen uitte in veel huilen, maar ook fysieke pijn. De dagen erna werd ik zo overspoeld door verschillende facetten van rouw, dat ik alle grip kwijt leek te raken. Ik voelde me dobberen op een klein vlotje in een enorme woeste wildwaterbaan. De stille en onvoorwaardelijke steun van de Liefste Vrouw was een baken, en ook de kinderen hielden het land in zicht.

Lezen, lezen en nog eens lezen. Ik verslond alle boeken over rouwverwerking die ik in de bieb kon vinden. Met name het boek “Leven zonder ouders” van Daan Westerink was een boek dat me goed deed. Het gaf troost om te lezen hoe anderen woorden gaven aan hun gevoel, dat deels ook mijn gevoel was.

Op straat keek ik naar andere mensen en vroeg me af of zij beide ouders nog hadden, of ook dit verdriet al hadden moeten doormaken. Het voelde alsof alle mensen in te delen in twee groepen: zij die beide ouders nog hadden en zij die al afscheid hadden moeten nemen van één of beide ouders. Ineens was ik, op die 24e augustus, bij de laatste groep gaan horen. Half wees was ik. En ik voelde in m’n lijf dat ik veranderd was.