Het gekke is dat het soms een dag, soms langer, duurt voor ik me realiseer wat er aan de hand is.
Ik ben moe, sombertjes, prikkelbaar, ik ervaar een waas de wereld een beetje grijzer kleurt. En nee, sorry, ik kan het niet altijd op de hormonale huishouding steken. Het is alsof er een mist in mij hangt. Ik kan lachen om grapjes, genieten van de onbevangenheid van de kinderen, verliefd zijn op mijn lief, maar toch. Er is een waas, het voelt alsof mijn gemoed dichtgestopt is met watten.
En dan realiseer ik me weer wat het is.

Mismistig.

De mist van het missen. Het missen van mijn ouders en schoonvader en het besef dat ze er echt, echt, echt niet meer zijn. Sommige dagen van het jaar  – verjaar-, feest-, moeder- en vaderdagen –  is het gemis duidelijker aanwezig, duidelijker voelbaar. Op die dagen is er pijn en verdriet, maar zijn er ook levendige herinneringen. Maar op deze dagen komt het gevoel dicht in de buurt van die eerste dagen rouw. Een alles overweldigend verdriet dat je functioneren verstoort. De andere dagen van het jaar is het gemis even groot. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan ze denk. Maar dit gemis verwatert niet de vrolijke kleur van het dagelijks leven.

En dan ineens, zonder aanwijsbare reden, komt de mismist opzetten en bedekt hij mijn leven voor een aantal dagen. Het lijkt bijna iets dat zich vastzet in m’n lijf.
De mismist verdooft, maar niet zoveel dat het direct opvalt.
De mismist versombert, maar niet tot een ondraaglijke depressie.
De mismist verkleurt het leven een beetje grijzer, maakt het lijf wat vermoeider, het gemoed wat zwaarder, zonder zich duidelijk als mismist kenbaar te maken. Ieder keer weer heb ik even nodig om de mist te herkennen als een manifestatie van rouw; iedere keer is de mist listig en verraderlijk en zorgt hij ervoor dat ik me afvraag of ik ziek word, of ik eerder naar bed moet, of ik misschien toch weer in de maandelijkse tijd verkeer. Totdat ik het me ineens realiseer. Het is de mistmist.

Geen idee wat die mismist doet ontstaan. De vallende bladeren? Ik heb het ook wel eens in de lente. Een herinnering, een foto, een geur, een liedje? Kan allemaal
Ik hoef de oorzaak ook niet te weten, het is zo. En het is oké.
Nu ik het weer weet, spreek ik met mezelf af dat ik een beetje lief ben voor mezelf. Ik steek een kaars aan bij hun foto. Ik schenk een kopje thee in en ik kruip op de bank met een dekentje.  En ik denk aan hoe en hoeveel ik ze mis, maar hoe dat gemis me ook nog meer mens maakt.
Ik zie het herfstzonnetje en weet dat deze mismist mag zijn, en ook weer wegtrekt.

Een van mijn grootste genoegens is eindeloos struinen door een boekwinkel. En het is nu Kinderboekenweek, alle reden dus om een kinderboek te kopen, want je krijgt het kinderboekenweekgeschenk erbij. Ik had vroeger een hele rij in m’n boekenkast staan en sommige heb ik zelfs nog steeds. De klepel of de klok, van Mies Bouhuys, uit 1979, staat nog steeds in m’n kast. Spannend verhaal, met heel veel plaatjes over gezichtsbedrog. Of Mijnheer van Dale en juffrouw Scholten, van Kees Fens, uit 1983. Wat me daaruit nog is bijgebleven, is de aanname dat ieder mens geboren wordt met een vastgestelde hoeveelheid woorden. De een heeft meer woorden dan de ander. En als je al je woorden gebruikt hebt, gezegd hebt.. dan ga je dood. Een kletskous als ik, heeft dan hopelijk heel veel woorden.

Op jacht naar een leuk boek voor onze eigen boekenverslindster, loop ik Kinderboekenwinkel De Boekenwurm binnen. Wat een feest. Mijn hart maakt een sprongetje bij het zien van zoveel heerlijke, fijne, mooie, spannende boeken. De hemel. Zo ziet die er vast uit. Maar waar te beginnen? Zoveel boeken, die ze allemaal leuk zou vinden. De aardige Boekenwurmmevrouw staat me bij en vraagt naar de interesses, het leesniveau en boekengeschiedenis van m’n dochter. En of ze humor heeft. Dat mag ik toch hopen. De Boekenwurmmevrouw laat me een boek zien: Bibi’s gewone dierenboek, van Bibi Dumon Tak (goeie naam trouwens). Geweldig. Ik wil het voor mezelf! Prachtig vormgegeven, met de “feel” van de Toon Tellegen boeken. Ja hoor, inpakken maar. En dan slaat mijn hart een slag over. In de boekenkast rechts van me, zie ik de oranje kaft met de zwarte letters en het oneindigheidssymbool. Uitgeverij Lemniscaat. Daar staat het boek dat mijn jeugd lang een houvast was; dat tot mijn jeugdboekencanon hoort. Ik weet niet meer hoe vaak ik het uit de bieb heb geleend. Ik voel weer de knoop in m’n maag bij de spannendste stukken, ik voel weer de tranen vanuit m’n opeengeklemde kaken naar m’n ooghoeken kruipen.

Meester van de zwarte molen.

En nu koop ik het. Voor mezelf. Omdat het zo’n ongelofelijk mooi en spannend boek is. Een boek waarin dood, liefde, zwarte magie en hoop een betoverende en onweerstaanbare mix vormen. Morgen ga ik de eerste bladzijde opnieuw aanraken en lezen. Met gevaar dat ik de rest van de wereld volledig verwaarloos. Maar wat verheug ik me op de hernieuwde kennismaking met dit boek. Met de kraaien, de jongens die de kisten timmeren, de molenaar, het meisje. Ik kan bijna niet wachten.

Welk jeugdboek zou jij nog eens willen kopen?